The Focusing Institute

"What is true is already so. Owning up to it doesn’t make it worse. Not being open about it doesn’t make it go away" -Gendlin

"What is true is already so. Owning up to it doesn’t make it worse. Not being open about it doesn’t make it go away" -Gendlin
Home :
Copyright
Alles uit de teksten op deze site mag worden gekopieerd of op andere wijze openbaar gemaakt zolang daarbij bronvermelding plaatsvindt.
Commercieel gebruik is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de auteur(s).
© 2001-2010, Copyright FocusCentrum Den Haag. Alle rechten zijn voorbehouden aan FocusCentrum DenHaag, Erna de Bruijn en Christine Langeveld.
Christine Langeveld en Erna de Bruijn
(dit artikel is verschenen in Psychoscriptum, het Kwartaalblad van de Onafhankelijke Beroepsvereniging voor Psychosociaal Werkenden, jaargang 6, winter 2002)
Inleiding
Luisteren is een vaardigheid waar psychosociaal werkenden in getraind zijn. Luisteren naar cliënten, naar wat ze zeggen en naar wat ze niet zeggen. Maar onder en achter datgene wat (niet) gezegd wordt, zit vaak nog méér. Focussen kan toegang geven tot dat ‘meer’.
Focussen is het richten van aandacht op wat er lijfelijk in je omgaat en emotioneel ervaarbaar is. Er zijn nog geen woorden voor, maar je vermoedt of weet dat daarbinnen iets is wat te maken heeft met je leven. Sommige mensen hebben deze vorm van aandacht, dit naar binnen luisteren, van nature; de meesten van ons moeten zich dit (opnieuw) eigen maken.
Doel van dit artikel is: psychosociaal werkenden een beeld van focussen te geven. Wellicht nodigt het de lezers van dit tijdschrift uit om na te gaan in hoeverre focussen hun een aanvulling kan bieden op het persoonlijke vlak en op het vlak waar zij werkzaam zijn.
Focussen – luisteren naar je lijf
Focussen begint met luisteren, luisteren naar hoe je vanbinnen op iets reageert of hoe je iets met je meedraagt. (Het woord ‘luisteren’ omvat hier ook: kijken, aftasten, opmerken, nagaan – al datgene wat in het Engelse woord ‘sensing’ ligt besloten.) Iedereen kent het: dat laatste gesprek met je collega ‘ligt je zwaar op de maag’, je bent helemaal ‘vol’ van een plan, of je voelt je ‘leeg’ na een vergadering - gewaarwordingen in je lijf die iets met je leven te maken hebben. Vaak lopen we eraan voorbij; met name vervelende gevoelens negeren of onderdrukken we: we pakken de krant, nemen een borrel of zetten de TV aan. En als we een góéd gevoel hebben, gunnen we ons nauwelijks de tijd om daarbij stil te staan.
Als je focust, geef je juist aandacht aan zo’n lijfelijke gewaarwording, op een respectvolle, benieuwde manier. Je maakt een veilige ruimte vanbinnen voor alles wat zich via die lijfelijke gewaarwording aandient, dus ook voor ‘weerstand’, schaamte, ondermijnende zelfkritiek en andere ‘negatieve’ gevoelens en oordelen.
Eerst neem je dan de tijd om dat wat je ervaart helderder te krijgen. Het gaat daarbij niet om een analyse van gebeurtenissen of om het herbeleven van een emotie, maar om een totale notie van wat er is.
Vervolgens ga je er als het ware bij zitten, bereid om te luisteren naar wat ermee aan de hand is en wat het je misschien duidelijk wil maken. Het krijgt zo de kans zich te ontvouwen en er helemaal te zijn zoals het is. Eigenlijk hoeft de focusser in deze fase niet veel anders te doen dan erbij te zijn en het proces zijn gang te laten gaan. Zoals je organisme zelf ‘weet’ hoe het een wond moet genezen - als jij zorgt voor gunstige voorwaarden - zo kent het ook zijn eigen wegen als het om de genezing van iets op zieleniveau gaat. Ook daar moet je dan wel zorgen voor gunstige voorwaarden. Focussen helpt die voorwaarden te scheppen waarin het zelfgenezend vermogen van het organisme zijn werk kan doen.
Niet alleen voor genezing en heel-worden, ook voor het richting vinden in je leven kun je op je organisme vertrouwen, want het heeft, net als ieder ander organisme, zijn eigen blauwdruk. Het weet hoe het in de gegeven omstandigheden het best in overeenstemming met die blauwdruk verder kan gaan. Focussen helpt die blauwdruk (terug) te vinden: je wordt meer en meer jezelf. Dat brengt vreugde en ontspanning, kracht en nieuwe energie in je leven.
Je hoofd niet in de soep, en andere essentiële aspecten
Een bekende uitspraak van Gendlin, die de methode van focussen heeft ontwikkeld, is: ‘Als je wilt weten hoe de soep ruikt, kun je beter niet je hoofd erin stoppen’. Als je wilt weten hoe iets vanbinnen in je leeft, moet je er niet middenin gaan zitten, niet ermee samenvallen. Alleen als je zelf luisterend bij iets bent, kan het je zijn verhaal vertellen. Als je ermee samenvalt of erdoor wordt overspoeld, is er niemand om het verhaal aan te horen. Anderzijds moeten focusser en ‘dat wat er is‘ wel dicht genoeg bij elkaar zijn om contact te kunnen hebben. Mensen die gewend zijn hun lichaam te zien als een voertuig dat hun hoofd ronddraagt, zullen daar aanvankelijk moeite mee hebben. Tijdens het focussen leer je een werkbare afstand te vinden: niet weg van iets, niet er middenin, maar erbij.
Een focusproces staat of valt met de eerder beschreven open, uitnodigende, niet-oordelende houding: wat zich ook maar meldt krijgt aandacht, erkenning en respect, en dat nodigt uit tot het ‘meer’ daarachter of daaronder.
Wezenlijk daarbij is: het in contact zijn en blijven met de lijfelijke kant van het gevoelde. Met gedachten over wat je voelt, kun je alle kanten uit, beelden die het oproept kunnen een eigen leven gaan leiden, emoties kunnen je het zicht op het geheel ontnemen. Maar zodra en zolang je in contact bent met hoe je lijf iets beleeft of met zich meedraagt, beschik je over een mogelijkheid tot toetsing en een authentieke bron van informatie.
De ‘ontdekking’ van focussen
Focussen als methode is in de jaren ’60 en ’70 ontwikkeld door Eugene Gendlin, destijds medewerker van Carl Rogers, later hoogleraar psychologie en filosofie, aan de Universiteit van Chicago. Begin jaren '60 onderzocht Gendlin c.s. hoe het kwam dat sommige cliënten werkelijk veranderden in psychotherapie en andere niet. Zij bestudeerden opnames van honderden therapiesessies; ze ontdekten daarbij dat de ‘succesvolle’ cliënt op een bepaalde manier met zichzelf en zijn problemen omgaat. Ze hoorden hoe zo’n cliënt ergens in de sessie langzamer ging praten, naar woorden zocht om te beschrijven wat hij op dat moment voelde, en als het ware vanbinnen checkte of het klopte wat hij zei. Dat klonk vaak als: ‘Hmm … tja … ik weet niet … hoe moet ik dat nou zeggen …’t is zoiets als … ehh … vastzitten … of eigenlijk meer opgesloten … ja, opgesloten …’ Vaak gaf de cliënt ook nog aan waar in het lijf hij het voelde: ‘hier ergens … zo’, of ‘in m’n hele lijf’. Dit aftasten van en luisteren naar het ervaren in het hier en nu, lijfelijk én emotioneel, bleek de sleutel tot positieve veranderingen.
Gendlin besloot uit te zoeken hoe je deze, op het eerste gezicht zo simpele, benadering kunt bijbrengen aan iemand die dat uit zichzelf niet doet. In de jaren daarna ontwikkelde hij een methode hiervoor die hij ‘focussen’ noemde, en die een ieder zich eigen kan maken. Daartoe verdeelde hij het - op zich natuurlijke, vloeiende – proces in zes stappen.
Hoe een focusproces verloopt
Een eerste indruk van hoe focussen werkt, kun je krijgen door er hier en nu een paar minuten aan te besteden. Ga er eens rustig voor zitten, zorg dat je deze minuten niet gestoord kunt worden en laat het stil worden van binnen.
Stap 1.
Breng je aandacht naar binnen in je lichaam en neem de tijd om daar aan te komen. Zak niet te diep weg in ontspanning: focussen vraagt een zekere opmerkzaamheid. Haal je nu eens voor de geest, zo levendig mogelijk, wat er vanbinnen bij jou gebeurde toen iemand iets tegen je zei wat je onaangenaam trof, iets wat je kwetste.
Stap 2
In plaats van het weg te duwen, weg te lachen of weg te redeneren - wat je meestal doet - zou je het nu eens aandacht kunnen geven, zonder er helemaal in te duiken. Kijk wat er in je lijf gebeurt bij het terugkijken op die situatie: een samentrekken bij je maag bijvoorbeeld, een dichte keel, een top-tot-teen-gevoel van geladen-zijn of wat dan ook. Let vooral op: hoe voelt het en waar? Je laat tot je doordringen hoe die situatie in zijn geheel, lijfelijk en emotioneel, van binnenuit aanvoelt. Dat kan ook iets vaags zijn waar pas geleidelijk woorden bijkomen.
Stap 3
Je zoekt naar die weergave (het ‘handvat’) die het betreffende gevoel zo dicht mogelijk benadert, bijvoorbeeld ‘iets drukkends … hier’, of ‘gespannen, bibberig’, ‘gekwetst en teruggetrokken’. Het kan ook alleen maar een beweging zijn, een geluid of gebaar, of juist een stilhouden.
Stap 4
Blijf daar aandachtig bij – ‘O, iets drukkends … hier, zo voelt dat’ en toets dat handvat aan dat wat je ervaart. Stel, waar nodig, de weergave bij terwijl je voeling houdt met het gevoel in je lijf, de ‘felt sense’. Als je merkt dat handvat en ‘felt sense’ met elkaar kloppen, voel je waarschijnlijk een soort opluchting, ook al is er niets veranderd aan de situatie zelf.
Stap 5
Blijf er een poosje – misschien wel een minuut – met aandacht en respect bij en ga na of het je nog meer laat ervaren. Soms zie je een reeks gebeurtenissen in een nieuw perspectief; soms voelt het gewoon maar tevreden dat het nu aandacht krijgt. Soms geeft het aan waar het behoefte aan heeft: ‘een beetje losser laten’, ‘die en die erbij betrekken’, ‘de persoon in kwestie zeggen wat het je doet ... ’, of wat er ook maar komt. In deze fase kunnen open vragen aan de 'felt sense' behulpzaam zijn, bijvoorbeeld ‘wat maakt dat het zo … (drukkend) voelt?’
Stap 6
Het kan goed zijn om een afspraak te maken met dat wat er opgekomen is: morgen er bij terugkomen bijvoorbeeld. Misschien wil je het bedanken dàt het gekomen is, of het laten weten dat je er voortaan rekening mee wilt houden, dat je blij bent met dit contact, of iets anders, wat dan ook, wat echt zo voelt.
Als je zo, een paar minuten of misschien wat langer, met aandacht en respect aanwezig bent geweest bij iets daar vanbinnen dat zich een beetje meer heeft laten kennen, dan heb je gefocust.
Focussen in de hulpverlening
Focussen wordt sinds de verschijning van het boek ‘Focusing’ in pocketuitgave (1981) op de meest uiteenlopende gebieden beoefend, met name daar waar mensen met mensen werken. In de psychosociale hulpverlening kan focussen een belangrijke rol spelen bij o.a. het nemen van heldere beslissingen, het herkennen van eigen grenzen en mogelijkheden, het omgaan met ondermijnende zelfkritiek en andere blokkades, met heftige emoties, met stressverschijnselen en met verschillende klachten die als puur lichamelijk ervaren worden.
Een hulpverlener die zelf ervaring heeft opgedaan met focussen, kan zo’n proces bij een cliënt helpen plaatsvinden. Een open, respectvolle, niet-oordelende houding naar wàt er ook komt, is een voorwaarde daarvoor. De cliënt hoeft nergens ‘doorheen’. Cliënt en hulpverlener zijn beiden met hun aandacht bij de ‘felt sense’ van de cliënt, dat ‘iets’ daar vanbinnen dat een eigen-wijs weten heeft van wat er gaande is en van wat een stap in de goede richting kan zijn. Daardoor krijgt de cliënt vaak een verrassende, nieuwe kijk op zijn problematiek, tegelijk met een verandering in zijn beleving, op een diep niveau. Vastgeroeste belevingspatronen kunnen weer in beweging komen. Die delen van zichzelf die een cliënt ooit verbannen heeft, kunnen er weer bij gaan horen. Wat niet bij hem hoort kan hij laten gaan. Zo komt er ook ruimte voor positieve veranderingen in zijn handelen.
Hulpverleners die in hun werk iets met focussen willen doen, zouden kunnen beginnen hier en daar een element van het focussen in hun werk toe te passen. Als bijvoorbeeld een cliënt hevig geëmotioneerd iets vertelt, kan de hulpverlener hem uitnodigen: ‘Nu je dat zo zegt, ga eens na hoe dat voelt in je lijf’. Bij de vraag van een cliënt: ‘Zal ik daar blijven of weggaan?’ kan het helpen om beide mogelijkheden aan het lijf voor te leggen: ‘Kijk maar wat er in je lijf gebeurt als je je voorstelt dat je blijft’. En vervolgens: ‘………. als je je voorstelt dat je weggaat’. Het spreekt vanzelf dat het woord ‘focussen’ daarbij niet genoemd hoeft te worden; het gaat erom dat de begeleider de cliënt uitnodigt bij iets vanbinnen stil te staan, er contact mee te maken en het aan het woord te laten.
Diegenen die van nature focussen, en dat is ongeveer eenderde van de mensen, zullen raad weten met zo’n voorstel, voor de anderen is er meer nodig; daar is focussen als aan te leren methode voor bedoeld. Het focussen valt uit boeken te leren, maar de meeste mensen maken het zich sneller en beter eigen in cursusverband of privébegeleiding.
Inhoudsopgave:
1. Focussen in zijn meest elementaire vorm
Een focus-ABC
Wat aan A vooraf kan gaan en op C kan volgen
2. De relatie tussen een focusser en een Iets
Het opbouwen van een relatie
Als er meteen problemen zijn:
Iets dreigt je te overspoelen, iets blokkeert, iets is moeilijk bereikbaar, of er is ‘niks’
3.Wie focust er eigenlijk?
Over het Ik
Een Ik en een Iets
Een Ik, een Iets, en iets dat ertussen schuift
Een Ik en twee Ietsen
Een Ik, een Iets en een verborgen tegenhanger
Een Ik en de Innerlijke Criticus
Een Ik, de Criticus en zijn mikpunt
Een Ik en het Kind Vanbinnen
4. Focusstappen
Over elk van de zes stappen
Actiestap en Felt Shift
5. Het zelfgenezend vermogen van ieder organisme of deel daarvan
6. Focussen in verschillende situaties
Focussen in het dagelijks leven
Focussen met een maatje
Focussen op allerlei terreinen
7. Tot slot
1. Focussen in zijn meest elementaire vorm
Een focus-ABC
“Hoe komt het toch, dat dat telefoontje me zo dwars zit? Zo erg is het toch niet, wat ze zei?”
Bij zo’n vraag kun je allerlei antwoorden bedenken, en dikwijls is dat nog zo gek niet. Maar als je er zo, denkend, niet uit komt, als de emoties die erbij horen je dreigen te overspoelen, of als een gevoel daarover juist moeilijk bereikbaar is, dan kun je er misschien beter op gaan focussen.
Focussen gaat in zijn meest elementaire vorm zo:
A Je gaat na hoe je ‘dat wat er is’ (in het voorbeeld: dat wat je dwars zit) in z’n geheel ervaart, en vooral hoe en waar je dat in je lijf voelt, bijvoorbeeld ‘iets dofs, daar bij m’n maag’.
B Je zoekt daar een passende weergave voor, in een geluid, een beeld of in woord(en), totdat er vanbinnen iets aangeeft: ‘dat klopt’, bijvoorbeeld ‘aangeslagen’.
C En dan hou je het een tijdje gezelschap, zo dat dat ‘aangeslagene’ zich op z’n gemak kan gaan voelen en de ruimte krijgt om zich wat nader te laten kennen en eventueel verder te gaan in een richting die goed voelt.
Daarbij is het allerbelangrijkste: luisteren, uitnodigend aanwezig zijn, benieuwd naar wat er is, aandachtig, met respect, zonder iets te willen verklaren, verhelpen, sturen. Tijdens dit hele proces (ABC) zorg je als focusser voor een veilige omgeving voor 'dat wat er is', en wat misschien nog vaag is. Zo krijgt het de kans om duidelijker in beeld te komen, zich te gaan ontvouwen en zijn eigen weg te zoeken.
‘Dat wat er is’ - ik noem dat verder ‘een Iets’ - kan van alles zijn: iets moeilijks, verdrietigs, spannends, vrolijks… Vooral als het iets is wat heel diep zit, kan het een grote hulp zijn als iemand je bij het focussen gezelschap houdt en naar je luistert. En soms is er meer begeleiding nodig.
Wat aan A vooraf kan gaan en op C kan volgen (zie ook hoofdstuk 4)
Meestal ga je focussen ofwel omdat er een onderwerp is waar je dieper op in wilt gaan (een probleem, een plan bijvoorbeeld), ofwel omdat er een nog vaag gevoel is waarvan je vermoedt dat er meer aan vastzit (‘wat ben ik toch rusteloos; is er iets?’).
Als het allemaal erg veel is, dan kun je voorafgaand aan A) eerst eens ‘ruimte maken’: een soort lijstje opstellen van wat er is en daar één ding uit halen, of wat afstand nemen om te ervaren dat er zovéél is.
Maar als je weinig voeling hebt met wat er is, kan het een goed begin zijn om je lijf eerst eens helemaal goed te voelen, er contact mee te maken: voeten op de grond, raakvlakken met de stoel en zo verder.
Als er zich meteen al iets aandient, kun je direct met A) beginnen.
Wanneer je enige tijd hebt doorgebracht met een Iets (C), dan hou je daar natuurlijk niet plompverloren mee op, maar je staat stil bij wat er gekomen is, je neemt het in ontvangst, zodat het verankerd kan raken. Als het echt zo voelt, zul je het bedanken dat het gekomen is, of laten weten: “goed dat we contact hadden. Komen we er nog eens op terug?” Misschien laat je Iets jou op de valreep nog iets weten – daar kun je zelfs naar vragen: “Is er nú nog iets wat je me wilt laten weten, of wat je van mij zou willen?”
De plek of plekken in je lijf die zich gemeld hebben, kunnen je toegang zijn bij een volgende ontmoeting met dit Iets. Een goeie afspraak met je Iets kan zijn: “Als dát gevoel daar op díe plek weer komt, weet ik dat jij het bent, en dan kom ik eraan; en is het o.k. als ik vanavond (of wanneer dan ook) uit mezelf bij je terugkom?” Je spreekt niet méér af dan je kunt en wilt waarmaken: dat Iets moet jou kunnen vertrouwen.
2. De relatie tussen een focusser en een Iets
Het opbouwen van een relatie
Bij een meer uitgebreide vorm van focussen ga je een relatie opbouwen met een Iets daar vanbinnen. Misschien is dat een Iets waar je heel lang niets mee te maken durfde of wilde hebben. Geen wonder dat het vaak in het begin niet erg toeschietelijk is. Alle energie die je gebruikt hebt om het onder de duim te houden of om er vanaf te komen, heeft dat Iets versterkt in zijn onverzettelijkheid. Het is een deel van je, en het wil mee kunnen doen. Daar moet je dan samen wegen voor zien te vinden. Vooral wat in je vroege jeugd in de knoei is geraakt, heeft veel aandacht, zorg en erkenning nodig voordat het in je volwassen leven z’n draai kan vinden.
Het kan ook een Iets zijn dat altijd dwingend aanwezig is en nauwelijks ruimte laat voor jouzelf. Ook dat heeft jouw aandacht en zorg nodig om zijn eigen specifieke kwaliteit op een constructieve manier in je leven te kunnen inbrengen en jou daarbij de nodige ruimte te laten.
Je zou nu eens kunnen luisteren naar zo’n Iets (‘o, ja, natuurlijk, zo ziet dat er voor jou uit’) en het uitnodigen (‘misschien is er nog méér wat je me wilt laten weten’). Het kan er dan langzaam-aan op gaan vertrouwen dat het bij je terecht kan; het weet dat het niet wordt uitgelachen of veroordeeld of onder druk gezet.
In het dagelijks leven gaat het eigenlijk net zo: Als je een probleem hebt met je buren, dan benader je die, zelfs als je een hekel aan ze hebt, op z’n minst fatsoenlijk. Je geeft ze een faire kans om de zaak van hun kant te belichten, tenminste als je de weg wilt vrijmaken voor betere betrekkingen. En zo doe je dat ook met een Iets.
Dit proces – bekijk de zaak ook eens van de andere kant – noemen we perspectiefwisseling.
Als er meteen problemen zijn: iets dreigt je te overspoelen, er is iets wat blokkeert, iets is moeilijk bereikbaar, of er is ‘niks’
Als een Iets je dreigt te overspoelen, als het té kwaad, verdrietig, pijnlijk is om er dicht bij te zijn, dan is het zaak om voldoende ruimte voor jouzelf en voor dat Iets te vinden. Hoe doe je dat?
Als er iets is wat blokkeert, dan is dat vast niet van niks. Zoiets heeft meestal een waarschuwende functie, het is waarschijnlijk ooit hard nodig geweest – misschien is het dat ook nu nog wel eens.
Als een Iets moeilijk bereikbaar is, ga je het allicht nog behoedzamer benaderen. Het kon wel eens schuw zijn, of zich verschanst hebben.
Als er ‘niks’ is, dan zeg je zo maar in ’t midden van je lijf zoiets als: “Niks aan de hand toch? Alles prima in orde in m’n leven, kán niet beter”.
3. Wie focust er eigenlijk?
Wat is het eigenlijk in een mens, dat een Iets opmerkt, het begroet, er een weergave voor zoekt, uitnodigend erbij is – wat of wie is dat eigenlijk? Dat is wat ik het Ik noem, met een hoofdletter, om het te onderscheiden van het alledaagse ik, dat een kopje koffie neemt, gaat wandelen, aan het werk gaat etc. Met ‘het Ik’ bedoel ik dus ook iets heel anders dan wat vaak ‘het ego’ wordt genoemd: dat beperkte, soms ijdele, opgeblazen, bangelijke of anderszins kleine dagelijkse ‘ik’.
Gendlin zegt over het Ik:
“Het lijkt me duidelijk dat je dat wat een mens werkelijk is, de persoon die mij door z’n ogen aankijkt, niet met behulp van iets anders kunt definiëren …”
“Er zit daar iemand bij jou vanbinnen en dat weet ik, en ook bij mij zit er iemand vanbinnen en dat weet jij…”,
“…wat dat is, dat mij aankijkt en wat dat is, dat daar naar mij terugkijkt. En ‘kijken’ zeg ik maar bij wijze van spreken, want dikwijls is kijken niet eens nodig. Ik weet ook zo wel dat er iemand is.”
“…er zit altijd iemand daarbinnen”.[1]
Wat ikzelf als mijn Ik ervaar, is de kern van wat ik ben: een ondeelbaar geheel met al mijn eigenschappen, mogelijkheden en beperkingen, en het is tegelijkertijd datgene wat dit alles omvat (fig. 1). Vanuit die ervaring wil ik iets meer over het Ik zeggen.
Het Ik kent grenzen en raakvlakken, er zijn constant bewegingen in en ontwikkelingen. Er is een gebied dat ik werkelijk bewoon; dat noem ik mijn centrum. Er zijn ook duistere, onbewoonde, angstaanjagende gebieden in mij, evengoed als nog ongekende groeimogelijkheden. Daar is mijn Ik nog niet aan toegekomen. Vanuit mijn centrum kan ik contact zoeken met zo’n onontgonnen gebied, kan ik het uithouden om erbij in de buurt te zijn, niet erin, niet ervandaan, maar erbij op een werkbare afstand.
Zit ik niet in mijn centrum, dan raak ik ófwel overspoeld, meegezogen, ófwel vervreemd van wat er is.
En het is ook vanuit mijn centrum dat ik mij kan verbinden en verbonden weten met andere Ikken en met Iets wat eindeloos veel omvattender is dan een mensen-Ik. Zo kan ik voeling hebben met wat er in en buiten mij is, op een directe, echte manier, zonder oordelen of partijdigheid.
Hoe verder ik van mijn centrum vandaan raak, hoe minder ‘eigen’ mijn waarnemen en mijn handelen worden. Als ik ‘buiten mezelf raak’, of ‘mezelf in iets verlies’, dan ben ik weg uit mijn centrum, weggeschoten of meegezogen. En als ‘de bodem onder me wegvalt’, dan val ik uit m’n centrum. Als ik ‘tot mezelf kom’ kan ik mijn plaats weer innemen in mijn centrum. Om te focussen heb je een Ik nodig; om iemand anders te begeleiden ook. Over het begeleider-zijn zegt Gendlin: “De essentie van het werken met iemand anders is: aanwezig zijn als een levend wezen. En dat is maar goed ook, want als we daar echt slimme of goede of verstandige of wijze mensen voor moesten zijn, dan zouden we waarschijnlijk in de problemen raken.” ….. “Ik hoef niet emotioneel stabiel en sterk aanwezig te zijn, ik moet gewoon aanwezig zijn”.[2]
Al heb je maar een klein stukje ‘centrum’ oftewel vaste grond onder je voeten, dan kun je van daaruit ‘aanwezig zijn’ bij iets of iemand.
Een Ik en een Iets
Wil een Iets (iets in je binnenwereld wat daar niet in geïntegreerd is, wat je dwarszit bijv.) echte aandacht krijgen,
dan is daar een Ik voor nodig dat in dat Iets geïnteresseerd is (zie fig.2).
Alleen een Ik kan ruimte maken voor een Iets, én ruimte houden voor zichzelf.
Zo’n Iets geeft signalen. Als het daarmee geen aandacht krijgt, gaat het een eigen patroon volgen: het wordt een stoorzender (net als de pias of het rotjong in de klas) of het trekt zich terug in zieligheid of ongenaakbaarheid. Pas als je het begroet hebt en dan nagaat hoe dat daar van binnen eigenlijk voelt, zo in z’n geheel (A), kun je het nader leren kennen en er een weergave van gaan zoeken (B). Als je dat dan voorlegt aan je lijf, kán er iets klikken: hoofd en lijf verstaan elkaar. Of er gebeurt niets: geen herkenning. Of het lijf protesteert: “klopt niet!”. Ook dat laatste schept duidelijkheid: verder zoeken! – en dat niet met het pistool op de borst, maar met égards ten opzichte van dat Iets. Dat Iets zou bijvoorbeeld ‘bedrukt’ kunnen zijn (C). Je blijft bij dat ‘bedrukt’ in de buurt, benieuwd, en weer met aandacht en respect. (Pressie erop uitoefenen zou averechts werken.)
Zo zoekt het Ik contact met dat wat er daar is, en als dat contact tot stand komt, kan er een dialoog tussen Ik en Iets op gang komen, kan er gefocust worden.
Een Ik, een Iets en iets dat ertussen schuift.
Schaamte, of een bang, ongelukkig of geërgerd gevoel óver een Iets kan tussen het Ik en het oorspronkelijke Iets schuiven (fig. 3). We noemen dat een gevoel óver een gevoel. Dat blokkeert dan de weg naar het Iets-zelf, dat
zich intussen wel eens heel anders kon voelen:eenzaam, verwaarloosd bijvoorbeeld. Je kunt dan proberen om je over zo’n gevoel heen te zetten of het opzij te schuiven. Waarschijnlijk gaat dat niet. Dan moet je dat bange eerst maar eens aandacht geven, door A) na te gaan hoe dat voelt in z’n geheel, met name in je lijf, en B) daar een passende weergave voor te zoeken; dan kun je het C) gezelschap gaan houden, zo open mogelijk, totdat het zich gehoord, gezien, gevoeld weet. Het was er niet voor niets, het wilde je waarschijnlijk beschermen tegen oude pijn of gevaren, en het heeft zelf misschien een of meer focussessies nodig voordat het je door kan laten naar dat eenzame, verwaarloosde Iets.
Pas daarna komt de weg vrij naar dat eenzame, verwaarloosde Iets, en dan kun je daar met je aandacht naartoe, weer volgens A, B en C.
Misschien wel het meest blokkerende gevoel is schaamte. Gauw naar een ander onderwerp, zonder dat het opvalt! Of zó diep er inzakken dat je er niet bij kunt zijn – ‘je schaamt je dood’! Allebei een reden om een goeie afstand te zoeken, zo dat je het kunt uithouden met dat gevoel van schaamte. Dan kan er zelfs daarin, en in alles wat daarachter zit, iets beginnen te veranderen.
Een gevoel óver een gevoel is nog wel herkenbaar. Moeilijker wordt het als je weg onverhoeds versperd wordt, en je weet niet waardóór. Het Iets waar je bij wilde zijn is uit het zicht geraakt. Het kan lijken of er zo maar een deur voor je neus wordt dichtgeslagen. Als je daarop focust, kan blijken dat die deur een belangrijke boodschap voor je heeft, bijvoorbeeld dat wat daar achter zit niet onvoorbereid benaderd moet worden. Door het focussend proeven van alles wat daarmee samenhangt, kon je wel eens ontdekken dat juist die deur je mogelijke doorgang is – als je zover bent.
Het kan ook zijn dat er ineens een dichte mist op komt zetten, je raakt verward, of het duizelt je, of je bent ineens zo verschrikkelijk moe ... Ook nu is het Iets waar je op wilde focussen uit beeld geraakt, er is een plotseling Niets voor in de plaats gekomen. Als je je focussend richt op dat Niets, merk je misschien dat het aanvoelt als leeg, grauw, een gapend gat, een sluierwolk ... Zo’n Niets blijkt dan toch een Iets te zijn!
Waarschijnlijk wil het je afhouden van iets wat veel erger zou zijn dan dit niet-meer-verder-kunnen, bijvoorbeeld een gevoel van ‘ik kan nooit iets goeds doen’, of ‘niemand houdt van me’.
Een Ik en twee Ietsen
Als er twee Ietsen tegelijk zijn, kan het zinvol zijn om eerst de relatie tussen die twee te bekijken: is het een tweestrijd, lijken ze elkaar uit te sluiten of te overlappen, ontbreekt er een schakel, werken ze langs elkaar heen?
Twee tegenstrijdige Ietsen kunnen elkaar in een soort houdgreep houden (fig. 4). Als jij niet in je centrum zit en overhelt naar het ene, dan zal het andere des te harder aan je gaan trekken. Daar gaat veel energie inzitten, en er verandert niets. In zo’n geval haal je ze uit elkaar en geef je ze om de beurt je volle aandacht, zonder partij te trekken voor de één of de ander. Zo kunnen beide ‘partijen’ hun verhaal, hun behoeften, hun zorg aan jou kwijt, op hun eigen manier (en dat is lang niet altijd in woorden).
Je merkt bijvoorbeeld iets wat bedrukt voelt, en ook iets wat er op drukt. Je luistert naar ze, elk apart. Daarbij kan het jou duidelijk worden wat er achter zit, dat de ene drukt en de andere bedrukt is. Ze hebben elk een functie, en dat krijgt nu erkenning. Het drukkende wil misschien iets kwetsbaars in jou beschermen tegen aanvallen van buitenaf. En het bedrukte zou wel eens eindelijk de ruimte willen krijgen om er gewoon te kunnen zijn en te kunnen groeien.
Wanneer ze beide gehoord zijn, kunnen ze de houdgreep loslaten (fig. 5) en elk hun hun eigen functie weer gaan vervullen. Jijzelf moet dan wel de regie, de eindverantwoordelijkheid op je nemen en beide partijen in hun eigenlijke rol bevestigen. Zo horen ze er weer bij, en jij voelt je ‘completer’.
Beide ‘partijen’ kunnen zo hun verhaal, hun behoeften, hun zorg aan jou kwijt, op hun eigen manier, al dan niet in woorden. Je moet natuurlijk ook hier geen partij voor een van beide gaan trekken.
Ze kunnen zo elk hun eigen plaats in het geheel innemen, en je krijgt weer toegang tot iets dat tevoren ontoegankelijk was – het hoort er weer bij, en je voelt je ‘completer’.
Je kunt nu bijvoorbeeld een stap in je leven gaan zetten in de richting die het bedrukte aangeeft, en daarbij ook zelf zorg dragen voor wat kwetsbaar is in jou. Dan heeft dat wat bedrukt was meer ruimte gekregen, en dat drukkende kan er gerust op zijn dat het kwetsbare beschermd wordt. Zo ontstaat er een en/en-situatie, in plaats van een of/of waarbij de partijen met elkaar in de clinch blijven liggen.
Ook als je voor een keuze staat, en je komt er niet uit door alle voors en tegens op een rijtje te zetten,werkt het vaak heel verhelderend om de rivaliserende ‘partijen’ uit elkaar te halen en ze om de beurt je volle aandacht te geven. Dan blijkt wat er achter of onder de beide standpunten zit, en als dat alles echt gehoord is, komt er waarschijnlijk een verrassend nieuw gezichtspunt uit. Dat zou ook het besef kunnen zijn dat de tijd nog niet rijp is voor een beslissing.
Deze aanpak doet me denken aan de moeder die haar twee ruziënde dochtertjes neerzette, de één links van haar, de ander rechts; de één mocht dan haar verhaal doen, de ander mocht niets zeggen, alleen maar luisteren. En daarna andersom. Meer hoefde die moeder niet te doen: ze trok natuurlijk geen partij, de kinderen waren door haar gehoord, ze hadden elkaar gehoord, en zo konden die twee weer samen verder. Wat de moeder had gedaan, was: optreden als plaatsvervangend Ik voor de kinderen. Zo kan een volwassen Ik omgaan met twee Ietsen van binnen.
Een Ik, een Iets en een verborgen tegenhanger
Soms komt er maar geen beweging in een Iets. Je hebt bijvoorbeeld iets op het hart dat je iemand wilt zeggen, en je doet het telkens toch niet. Misschien wordt het dan wel tegengehouden door een ander Iets, dat je nog niet had opgemerkt. Je zou daar bewust naar op zoek kunnen gaan: is er een tegenhanger, misschien een tweede Iets, dat weet hoe verkeerd zoiets af kan lopen? Als dat zo is, dan zijn er in feite weer twee die elkaar in de houdgreep houden. Die haal je dan weer uit elkaar en geeft ze elk afzonderlijk je volle aandacht. Het ene gaat je misschien helpen om tot de kern te komen van wat je wilt zeggen, het andere om er een goeie vorm voor te vinden, zodat het geen uitbarsting wordt maar een gesprek. Het is ook hier weer de felt sense die aangeeft ‘ja, zó!’, of ‘er is eerst meer voor nodig, al weten we nog niet precies wát’. Dat laatste is dan stof voor een volgend focusproces.
Een Ik en de Innerlijke Criticus
Een negatief-kritisch Iets, een cynische of kleinerende stem van binnen, kan je behoorlijk onderuithalen. Soms merk je alleen de sporen die dit Iets heeft nagelaten: een hopeloos gevoel, totaal verlamd, machteloos, waardeloos.
In beide vormen wordt zo’n Iets de Innerlijke Criticus genoemd, of het Super-ego.
Het type criticus dat zich duidelijk laat horen kun je – misschien met knikkende knieën – laten weten: “ik weet dat je er bent”. Je gaat dan na wat voor gevoel die criticus bij jou vanbinnen oproept, in je lijf en in je ziel, en ook wat voor figuur die criticus eigenlijk is (A). Daartoe heb je wel een veilige afstand nodig, en ook weer niet zo’n afstand dat die criticus helemaal buiten beeld is. Ook al voelt die op zichzelf torenhoog, wat je daarover in je lijf voelt, is begrensd: het is niet groter dan je lijf. En jij bent méér dan je lijf: jijzelf bent erbij als waarnemer.
Ook nu weer zoek je naar een weergave van hoe dát daar, op die veilige afstand, bij jou vanbinnen voelt, met name in je lijf (B). Misschien gaat er een hele sessie, of een reeks sessies, mee heen, alleen al om deze stoorzender, deze criticus, wat nader te leren kennen (C). Vaak blijkt het een uit de hand gelopen overlevingsstrategie, een automatisme van vroeger dat jou tegenhoudt en in werking treedt voordat je iets ‘onherstelbaars’ doet, of dat nu (nog) nodig is of niet.
Als nu die criticus zich weer eens meldt, kun je hem ontvangen met: ”Hé, kom je me waarschuwen? Wat kan er mis gaan? … Bedankt, ik hou er rekenig mee!”. De criticus zal je gaan vertrouwen als je echt zelf de verantwoording neemt; laat hem maar over je schouder meekijken! Hij krijgt dan de functie van waarschuwer in plaats van die van stoorzender, en dat kan de basis worden van een goeie samenwerking.
Dit soort criticus bemoeit zich vooral met je doen en laten, met je gedrag.
Moeilijker wordt het bij de criticus die zelf buiten beeld blijft en die je alleen aan zijn sporen kunt herkennen.
Die bemoeit zich met wat je bent, met je bestaansrecht.
Met zo’n criticus val je makkelijk samen, je vindt dat hij gelijk heeft, je denkt waarschijnlijk echt dat je waardeloos bent. Zorg dan dat je de sporen volgt, totdat je ook deze criticus gaat herkennen. Daar is moed voor nodig, en kracht. Die héb je, anders had je ’t allang opgegeven. Je bént die criticus niet; je bent die je bent, en je hebt een criticus die jou in z’n macht houdt. Hoe meer je die criticus in beeld krijgt, hoe meer hij van zijn macht over jou verliest. Ook deze criticus heeft ooit een functie gehad; ook deze criticus kan uiteindelijk een goede medewerker worden, hoe onwaarschijnlijk dat nú ook lijkt.
Bij het werken aan de relatie met je criticus, zeker met die van de tweede soort, heb je meestal de hulp nodig van iemand die je hierin begeleidt.
Een Ik, de criticus en zijn mikpunt
De innerlijke criticus heeft meestal een mikpunt in ons: een kwetsbaar deel, iets wat in onze kindertijd vaak al afgekeurd of bedreigd werd. Een levendige fantasie bijvoorbeeld, die werd gezien als leugenachtigheid.
Het fantasieleven ‘weet’ dat er meer is dan wat je kunt waarnemen en beredeneren; het wil dan ook meer. Maar de criticus wenst zich niet in te laten met dit soort onzin: ‘feiten en nadenken, daar gaat het om’. Deze beide processen kunnen elkaar in de houdgreep houden; het leven verarmt en raakt uit balans.
Soms neemt een van beide de overhand; het andere lijkt uitgeschakeld, maar neemt de macht over zodra dat ene even niet oplet, en omgekeerd. Wilde fantasieën enerzijds, en anderzijds ‘dood-doeners’ van de kant van de criticus (‘allemaal onzin, stop die flauwekul’) wisselen elkaar af.
Alleen het Ik dat deze twee processen herkent, kan ze allebei afzonderlijk benaderen, met respect, met aandacht en benieuwdheid. Dan kan blijken dat ze elkaar niet hoeven uit te sluiten, maar dat ze elk hun zinnige functie binnen het geheel kunnen hebben: een speelse, rijke fantasie en een heldere kijk op de realiteit. Die twee kunnen geweldige medewerkers worden van een Ik dat ze naar waarde schat en ze allebei de ruimte geeft.
Een Ik en het Kind Vanbinnen
Hierboven kwam, als mikpunt van een negatief-kritisch element, het kwetsbare ‘kind vanbinnen’ al ter sprake. Daar ging het vooral om wat er vroeger wel in het kind aanwezig was, maar er niet mocht zijn (een levendige fantasie, ‘leugens’).
Iets anders is het als er destijds voor het kind iets niet was wat er wel had moeten zijn – aandacht bijvoorbeeld, of veiligheid, of ruimte om te groeien. Wanneer mensen als kind in dit soort elementaire behoeften ernstig tekort zijn gekomen, is de kans groot dat ze later een onstilbare behoefte hebben op deze terreinen, of dat ze er geen raad mee weten als er zoiets wordt aangeboden – of allebei.
Een speciaal gevoel in het lijf, een onbegrepen stemming, het optreden van de criticus (‘je mag niet zoveel aandacht vragen’) kan iemand in contact brengen met zulk soort behoeften uit de kindertijd.
Het kan soms gebeuren dat een oude angst of boosheid zich plotseling van iemand meester maakt, in de vorm van een paniekaanval of razernij. Er hoeft daartoe maar iets te raken aan een bedreigende situatie van vroeger. Dat hoeft niets méér te zijn dan een geur, een klank in iemands stem, een manier van kijken, een (misschien goedbedoelde) aanraking.
Dan is het zaak om achteraf na te gaan wat iemand geraakt heeft, en hoe dat nú voelt in het lijf. Dat kan helpen om op het spoor te komen van het angstige of woedende kind daar vanbinnen. Daarbij is meestal deskundige begeleiding nodig.
Het is op zich al een hulp als het kind zich eindelijk gezien, gehoord, erkend weet, en wel door het Ik van de focusser, de enige volwassene die het kind van binnenuit kent. Verder kun je focussend nagaan hoe dit kind jou nu bij zich wil hebben. Ga er niet zomaar vanuit dat het een arm van jou om zich heen wil. Misschien wil het alleen zijn, maar wel met jou ergens in de buurt!
Wat er ooit te veel was of te weinig of verkeerd, dat kan nooit veranderd worden. Wel kan de volwassene in het hier en nu ervaren hoe het was, en hoe het had moeten zijn. Die ervaring kan het organisme helpen om de balans alsnog geheel of ten dele te herstellen. .
En kom je het speelse, benieuwde, creatieve kind tegen – laat dat z’n gang maar gaan. Dat heeft niet iets van jou nodig, dat heeft jou eerder iets te bieden, iets om blij mee te zijn en kracht aan op te doen!
4. Focusstappen
Een focusproces is een natuurlijk, vloeiend gebeuren. Om te maken dat je dat proces kunt leren heeft Gendlin het onderverdeeld in zes stappen. Die stappen kunnen je ook helpen als je onder het focussen de draad van het proces dreigt te verliezen. Gendlin noemt ze wel ‘een touw om je zo nodig aan vast te houden’. Ze zijn niet meer dan een hulpmiddel; het is zinnig om ze te kennen en waar nodig te gebruiken, maar ze vormen niet de essentie van focussen.
Die zes stappen zijn:
1 Ruimte maken
2 Felt Sense (opzoeken of uitnodigen)
3 Een handvat zien te vinden
4 Resoneren
5 Vragen stellen
6 Ontvangen
Over elk van de zes stappen
Ruimte maken: stil worden en je aandacht naar binnen brengen in het borst/buikgebied. Van daaruit kan opkomen wat er op dit moment zoal speelt in je leven. Bedénk het niet, kijk wat er boven komt. Als er heel veel is, is het zinnig om eerst eens een inventarisatie te maken, en stuk voor stuk te benoemen wat er allemaal is. Ieder Iets dat bij je opkomt zet je om zo te zeggen even naast of voor je neer. Dan weet je: dat is er allemaal, en ik ben er ook nog. Dat kan op zichzelf al een beetje lucht geven. Je kiest één Iets uit (of dat springt vanzelf eruit) waar je je aandacht op richt. Maar misschien is er maar één ding aan de orde. Dan ga je dáár verder op in.
Het kan ook gebeuren dat er haast niets lijkt te zijn; in dat geval kun je maar beter eerst eens contact opnemen met je lijf. Je zou kunnen nagaan: ‘zit ik lekker in m’n vel?’ of een beetje uitdagend naar binnen toe stellen: ‘alles in m’n leven gaat helemaal goed, kan niet beter’, en afwachten of er dan vanbinnen iets hoera roept of – waarschijnlijker – gaat sputteren. In het laatste geval ga je dan eens na hoe dat voelt daar ergens in het midden van je lijf, zonder eerst nog naar andere Ietsen te zoeken. Als het ‘hoera’ is, neem daar dan maar eens alle tijd voor!
Felt Sense (de A van het focus-ABC): Centraal in het Focussen staat het eerder beschreven, aanvankelijk vage gevoel in je lijf en/of in je stemming waarvan je kunt vermoeden dat het betekenis voor je heeft; het kan zich gaan ontvouwen als je er met je aandacht bij bent. Gendlin heeft hiervoor de term felt sense ingevoerd. Deze term, in zijn Engelse vorm, wordt internationaal gebruikt; Gendlin gebruikt hem ook wanneer hij Duits (zijn moedertaal) spreekt.
Ook voor Engelstaligen zijn deze twee woorden in hun samenhang niet zonder meer te begrijpen. Ze staan immers voor een nieuw concept, en dat kan je niet zo maar vanuit oude woorden en begrippen definiëren. Een Nederlandse omschrijving die wij graag gebruiken: Alles omtrent die kwestie, zoals je het in zijn geheel ervaart, met name in je lijf.
De felt sense van die ene kwestie, dat speciale Iets, is een nog onduidelijk, maar onmiskenbaar aanwezig gevoel in lijf en ziel, bijv. ‘iets wat drukt, hier op m’n borst’, of ‘vrolijk, springerig, van top tot teen’. Onder invloed van de aandacht die je eraan geeft, wordt het steeds duidelijker, en wel als een geheel met vele aspecten. De voornaamste daarvan zijn: een lijfelijke kant, een emotionele kant, een samenhang met een thema of gebeurtenis in je leven, en ook vaak een of meer symbolische of herinneringsbeelden. Al deze aspecten kunnen een invalshoek vormen. Soms komen ze tegelijk, soms na elkaar, en vaak pas als ze uitgenodigd zijn.
Handvat (de B van het ABC): een zo goed mogelijke weergave van hoe zo’n Iets in zijn geheel voelt, met name in het lijf. Bijvoorbeeld ‘bezwaard’, of ‘open, verwachtingsvol’. Een handvat kan ook een gebaar zijn (afwijzend, wenkend), of een beweging (knijpen, een neerdrukken of opspringen), een geluid (búhh, héé) of een combinatie daarvan - alles wat voor de focusser de kern weergeeft, een ‘ja, precies, dát’.
Als je een handvat gevonden hebt, weet je duidelijk ‘ja, daar gaat het om’. En als je tijdens
het focussen afdwaalt of de draad kwijtraakt, dan helpt het handvat je om terug te komen bij
waar het om ging (‘o, ja, dat ‘bezwaarde’, of dat ‘verwachtingsvolle’, hoe is het daar nou
mee?’). Ook later, als je bij een Iets terug wilt komen, helpt een handvat om het weer te
vinden.
Resoneren: heen en weer gaan tussen een felt sense en iets wat er daarbij in je opkomt, bijvoorbeeld een handvat. Daarbij hoort vaak een bijstellen, tot het zo goed mogelijk klopt. Resoneren doe je voortdurend tijdens een focusproces, en in het bijzonder bij het toetsen van een handvat; de felt sense geeft dan aan of en in hoeverre het klopt.
Vragen stellen (de C van het ABC): Tegenwoordig spreken we liever van ‘erbij zijn’; ‘vragen stellen’ is een mogelijke vorm daarvan. Vaak zijn er helemaal geen vragen nodig en kun je zelfs beter stilzwijgend, aandachtig een Iets gezelschap houden. Als het zich verder gaat ontvouwen, kun je er, al dan niet met behulp van vragen, nader zicht op krijgen hoe die hele kwestie er uitziet voor dat Iets, hoe ‘dat daar’ zich voelt: is het bezorgd over iets, heeft het ergens behoefte aan, wil het je waarschuwen? En telkens als er zoiets als een antwoord in je opkomt, kun je het laten weten: ‘ik heb je gehoord’, zelfs al zou je het er helemaal niet mee eens zijn.
In ontvangst nemen: Alles wat er nieuw in je opkomt, neem je bewust in ontvangst, al lijkt
het nóg zo weinig. Dat gebeurt net als resoneren tijdens het hele focusproces, maar vooral aan het eind van een sessie. Dat is ook het moment om het hele proces nog eens na te proeven – hoe was het eerst, wat maakte dat er verandering kwam, hoe voelt het nu in lijf en ziel? – en je kunt het voorleggen of het je op de valreep soms nog iets erover wil laten weten of van je wil vragen. Je kunt bedanken wat er gekomen is, en er misschien een afspraak mee maken om er later bij terug te komen.
Actiestap en Felt shift
Aan deze zes stappen heeft Gendlin bij verschillende gelegenheden een mogelijke zevende stap toegevoegd: de actiestap. Als er in de binnenwereld iets veranderd is, is het vaak een goed idee om van daaruit een nieuwe stap in de buitenwereld te zetten. Je kunt op zoek gaan naar een stapje in de richting die je felt sense je aangaf, en dat stapje of die stap eerst weer toetsen aan die felt sense en vervolgens ook werkelijk gaan zetten. Als je bijvoorbeeld ergens graag heen zou gaan maar je durft het nog niet aan, misschien begin je dan met alleen maar de website of het telefoonnummer op te zoeken. Volgende keer een klein stapje verder.
Lang niet altijd gaat het bij focussen om een actie naar buiten toe. Een verandering in een felt sense kan op zichzelf een immense verandering in je leven teweegbrengen.
Felt shift (een verandering in de felt sense): Als hoofd en lijf elkaar verstaan, geeft dat eenzelfde lichte opluchting als wanneer iets je te binnenschiet waar je eerst niet op kon komen. Zo’n voelbare verandering – vaak heel licht, soms alsof er een zware last van je afglijdt - wordt in focustermen een (lijfelijk voelbare) verschuiving genoemd, een felt shift, of kortweg een shift. Die kan plaatsvinden op verschillende niveaus, van fysiek tot spiritueel, in een richting van meer heel worden.
Een shift kun je niet láten gebeuren; het gebeurt – of het gebeurt niet.
5. Het zelfgenezend vermogen van ieder organisme of deel daarvan
De blauwdruk [3] geeft de richting aan
Gras is groen en groeit recht omhoog. Waar er een steen op ligt, is het geel en plat. Maar kijk eens aan de randen van die steen: daar komt het eronderuit, groen en weer recht omhoog. En als die steen is weggehaald, dan ziet de hele plek na korte tijd weer groen van het rechtopstaande gras.
Een wond geneest als regel vanzelf, niemand weet precies hoe, maar het gebeurt (een dokter kan een wond niet genezen, maar alleen zorgen voor gunstige omstandigheden, zoals wondreiniging, hechting, afdekking; het lijf doet het verder zelf). Je kunt er wel een litteken aan overhouden.
Hetzelfde gebeurt met wat er in je ziel verwond is geraakt of geen kans heeft gekregen:
elk organisme zoekt zelf zijn weg om onder de gegeven omstandigheden zo dicht mogelijk bij zijn blauwdruk te zijn. Waar dat niet gebeurt kan een medische of psychotherapeutische behandeling nodig zijn. Bij die blauwdruk hoort natuurlijk ook fysieke achteruitgang en sterven. Ook in tijden van ernstig ziekzijn en in de laatste fase van iemands leven kan focussen veel bijdragen aan innerlijke heelheid.
Hoe langer je met focussen werkt, hoe meer je dit zelf-genezend vermogen gaat vertrouwen. Als het Ik van de focusser, eventueel geholpen door dat van een begeleider, een gunstig klimaat weet te scheppen voor dat wat er is, dan zorgt als regel het zelfgenezend vermogen van die mens-als-geheel voor de rest.
6. Focussen in verschillende situaties
Focussen in het dagelijks leven
Om te focussen hoef je niet altijd speciaal tijd vrij te maken.
Gendlin zegt hierover: “Wat ikzelf focussen noem, dat is, als je even - een minuut, of een seconde of tien minuten - bent bij iets wat je lijfelijk voelt, en daarbij weet je heel goed dat dit lijfelijke gevoel te maken heeft met iets in je leven” [4].
Vóór een moeilijk telefoontje, voordat je ergens naar binnen gaat, als een opmerking je (on)aangenaam treft, als er iets van je wordt gevraagd, je kunt telkens even nagaan hoe die hele situatie daar vanbinnen aanvoelt. Eventueel zeg je: “Hier heb ik even tijd voor nodig”. Die tijd blijkt vaak heel welbesteed, beter dan wanneer je achteraf zaken recht moet gaan breien, puin moet ruimen of terug moet komen van een doodlopende weg.
Even naar binnen kijken, luisteren, voelen - met wat focuservaring kan dat in een paar seconden, zelfs tijdens een gesprek. Zo kun je talloze malen op een dag even focussen, en dat zeker niet alleen bij kommer en kwel! Het werkt ook prima bij het maken van plannen of het nemen van beslissingen. Even stilstaan bij iets wat jou goeddoet of waar je blij mee bent, dat is ook nooit weg!
Soms kun je beter de tijd nemen voor een echte sessie, alleen of met een focusmaatje.
Focussen met een maatje
Als je focust met een maatje kom je meestal verder en dieper dan als je in je eentje focust.
Een maatje of focuspartner is iemand met wie je regelmatig op voet van gelijkheid en wederkerigheid focust, ‘live’ of door de telefoon. Je doet dat niet alleen als er een speciale aanleiding toe is, maar ook en vooral als een soort onderhoudsbeurt.
Ook de meest ervaren focussers (Gendlin zelf bijvoorbeeld) hebben een of meerdere partners met wie ze regelmatig focussen.
Praktische wenken voor zo’n partnerschap:
Focussen op allerlei terreinen
Focussen is ontwikkeld binnen de psychotherapie. Het wordt tegenwoordig toegepast op velerlei gebieden: de gezondheidszorg, het onderwijs, het bedrijfsleven, het werken met creatieve processen, spirituele ontwikkeling en nog veel meer. Mij heeft het vooral geholpen om meer mens te worden.
Gendlin is de ‘ontdekker’ van het focusproces - zo noemt hij dat zelf. Anderen hebben vandaaruit hun eigen ontdekkingen op focusgebied gedaan, en daar weer anderen in laten delen. Je hoeft geen kenner te zijn om in deze tekst invloeden van andere focussers op te merken. Ik kan vaak zelf niet meer nagaan wat bij mij van wie vandaan gekomen is in de ruim vijfentwintig jaar dat ik met focussen bezig ben. Daarom kan ik ook niet alle mensen hier bedanken voor wat ik van ze mocht leren. Wel wil ik speciaal Ann Weiser Cornell noemen, die in ons Focuscentrum meer dan twintig workshops gaf. Verder natuurlijk Christine Langeveld: samen hebben wij onze programma’s vormgegeven, en daarbij hebben we heel wat geleerd, beproefd, verworpen, omgewerkt. En bij het schrijven van deze tekst heb ik weer erg veel gehad aan haar kritische kanttekeningen. Trouwens ook aan die van de anderen die mijn tekst zorgvuldig hebben doorgenomen. Ten slotte: dank aan de vele cursisten van en met wie ik zoveel heb geleerd!
Den Haag, oktober 2002, herzien in december 2008
Print deze pagina | download
| terug naar boven
Meer informatie over focussen:
Eugene T. Gendlin, Ph.D., Focusing, 1978, Bantam Book nr. 23125; Nederlandse vertaling:
Focussen, gevoel en je lijf, De Toorts, Haarlem, 1981.
Ann Weiser Cornell, The Power of Focusing, New Harbinger; 1996. Nederlandse vertaling:
De Kracht van Focussen, De Toorts, Haarlem, 1998. Een praktische, overzichtelijke gids.
Zie ook: literatuurlijst en links
[1] Gene Gendlin aan het Woord en aan het Werk,
uitg. Focuscentrum.DenHaag 1999, blz 87 e.v.
[2] The Primacy of Human Presence, artikel in Client-Centered and Experiential Psychotherapy in the Nineties, Leuven University Press, 1990.
[3] ontwerp, werktekening
[4] Gene Gendlin aan het Woord en aan het Werk, uitg. Focuscentrum.DenHaag, 1999, blz 3.
Hoe je in kunt gaan op dat speciale 'Kind'
Een vrouw en een man, lang en gelukkig getrouwd, krijgen af en toe ruzie, telkens volgens eenzelfde patroon. Beiden ervaren ze daarbij elke keer hun eigen gekwetstheid en de onmacht om de ander te bereiken. Zij gaat focussen en ontmoet een klein meisje; als 't moeilijk wordt, wil het wegkruipen, en het roept: "Hou me vast". Hij ontmoet een jongetje dat hard van zich afslaat en dat schreeuwt "Laat me los!".
Sindsdien, telkens als ze het oude patroon weer aan voelen komen, bekommeren ze zich eerst elk om hun eigen 'kind'; daarná kunnen ze elkaar weer bereiken.
Hoe doe je dat, je bekommeren om je eigen 'kind'? Dat hangt er vooral vanaf wat voor een kind dat is: een kleuter, een wiegenkind, eentje van veertien, of van zeven jaar? Schuw, uitbundig, gekwetst, stoer?
Een vrouw die op haar vijfde jaar in een nonneninternaat was gestopt, zei tijdens een focussessie tegen haar 'kind': "de kerk is door en door verziekt". Dat hielp niet echt - het was wel vanuit de eigen, bittere ervaring gesproken, maar niet afgestemd op het vijfjarige, bange, ontheemde kind. Hier is eerst zorg nodig voor dat bittere, harde in de vrouw, voordat er ruimte kan ontstaan waar ze een kind in kan uitnodigen. Als dat zover is, en het kind zich daar veilig en welkom voelt, zal het misschien vertellen, met of zonder woorden of tranen, hoe het zich daar voelde in dat internaat. Eindelijk is er een volwassene die luistert. Van Mary McGuire heb ik geleerd: de volwassen mens van nu, de focusser, is de enige die het 'kind' vanbinnenuit kan kennen en er nu eindelijk aandacht aan kan geven: het 'kind' was er al die jaren wel, alleen: het werd nooit gehoord. Misschien is het voor 't eerst dat een groot mens - de focusser - dit kind wil horen, wil navoelen hoe het zich voelt, die er is voor dit kind. Als dat gebeurt, dan kan er iets loskomen wat vastgegroeid was. Het kind en de volwassene krijgen allebei meer speelruimte. Als het kind zich gehoord weet, heeft het verder misschien op dit moment niets anders nodig dan aandacht en veiligheid. De volwassene kan ook proberen iets te zeggen tegen het kind op het nivo van een vijfjarige, zoiets als:"Dat is echt heel erg, wat er gebeurd is; maar jij bent lief, jij kan het niet helpen; kom maar, zullen we sámen.....?". Samen worden ze een beetje meer heel, het grote mens en het kind.
Met een kind dat nog niet kan praten ga je heel anders om dan met een kind van vijf.
Zo'n heel jong kind manifesteert zich vaak alleen maar in een lijfelijk gevoel waar een vage stemming aanvastzit. In die sfeer kan het ook benaderd worden.
Een jonge vrouw heeft sinds jaren een onplezierig gevoel rechts onder in de buik, dat in het laatste halfjaar steeds sterker werd. Pijn doet het niet, maar het drukt. Het is verbonden met een treurige stemming. Het handvat is: een rubberbal met doornvormige uitsteeksels. Later blijkt het een klein kindje dat weggekropen is. "Het wil niet spelen", zegt ze verbaasd en constaterend. Als ze er een paar minuten bij is, benieuwd en behoedzaam, meldt ze:" Nu gaat het bewegen.... het springt op en neer." Het drukgevoel in de buik lost zich op; een stroom van warmte, van energie trekt uit de buik naar boven. Nu de vrouw haar "kind" de ruimte heeft gegeven, stroomt de energie, die al die jaren geblokkeerd was, vrijelijk van het kind naar de volwassene.
Ze legt een verband met iets wat ze met haar hoofd al wel wist: toen ze zelf anderhalf jaar was, werd haar broertje geboren. Moeder kon de situatie niet aan en ging haar dochtertje slaan. Nu ziet ze hoe het kind zich terugtrok. Het wou niet meer spelen. Ze begint het nu zelf die veilige,warme plek te geven die het destijds ineens moest missen. Haar eigen dochtertje is nu anderhalf jaar oud; mogelijk heeft dat ertoe bijgedragen dat haar gevoel van die treurige druk juist nu zo sterk voelbaar was geworden.
Soms moet er een betovering verbroken worden
Een moeder van twee kinderen heeft altijd moeite met het nemen van beslissingen; dat was het ergst als een van de kinderen zo tussen vier en zes jaar oud was. Ze dobbert maar wat rond en voelt zich moe en lusteloos.
Haar eigen vierde levensjaar was een rampjaar. Natuurlijk dacht ze toen dat het aan háár lag. Ze was bang voor een "heks", bij wie ze geen goed kon doen. Wát ze ook deed of niet deed, alles werd er alleen maar erger op; iedere keuze was de verkeerde. "Liever dus maar geen keuzes maken, er niet zijn".
Nu haar tweede kind zes jaar is, wordt het hoog tijd dat deze heks verdwijnt uit haar bestaan. De gedachte alleen al fleurt haar helemaal op.
Déze heks had, voor zover ze kon nagaan, geen andere functie in haar leven gehad dan de rampen "verklaarbaar" te maken; je vader gaat toch niet zómaar weg, en als je moeder dan nog depressief wordt ook, en je wordt bij de buurvrouw ondergebracht, en het pasgeboren zusje krijgt alle aandacht van die kinderloze buurvrouw die jou op de koop toeneemt- dan móét er toch wel zo'n heks zijn die maakt dat jij alles verkeerd doet?
Met die heks moet er nu afgerekend worden, hoe drastischer, hoe liever. Heksen gaan in sprookjes ten onder aan hun eigen eenzijdigheid; ze verbranden bijvoorbeeld in de oven die ze hadden opgestookt om er een ander in te braden. Deze heks wordt met groot enthousiasme levend verbrand. En wat het kind betreft: dat heeft de warme, veilige aanwezigheid van een moederfiguur nodig, en dat is iets wat deze vrouw haar "kind" nu zelf kan en wil gaan geven.
Er komt ineens schot in haar studie, die ze bijna had opgegeven.
Een "kind vanbinnen" is lang niet altijd zielig en/of lief.
Een man realiseert zich dat hij zijn "kind" maar een rotjoch vindt. Dat te erkennen doet hem goed; voordien mocht hij dat niet van zichzelf. Eigenlijk is het wel een joch met pit ook: tegendraads, laat zich niet inpakken. Dat joch zit nu ook niet bepaald hoopvol te wachten op een liefderijk kontakt. Er groeit zoiets als een wederzijds inschatten en respect. Het scheelt een stuk in 's mans migraines.
Ook een tiener kan hulp nodig hebben van "haar" volwassene
Een vrouw van drieënvijftig jaar raakt herhaaldelijk in crisistoestanden in een overigens gelukkig huwelijk. Tijdens zo'n crisis heeft ze het gevoel, meegesleurd te worden in iets wat zwaar is, donker en zuigend. Als die donkere zuiging haar meesleurt, kan ze niet praten, en wat een ander tegen haar zegt, dringt niet tot haar door. Lopen is het enige wat helpt, uren en uren lopen, dan komt er langzaam weer wat licht en beweging in.
Nu, in de sessie, is ze erbij, niet erin. Verrast merkt ze op: "Dat hoort niet bij hém!". Waar het wél bij hoort, dat zware, zuigende gevoel? Ze beleeft het opnieuw: toen ze vijftien was, kreeg haar stiefvader een hartinfarct. Haar moeder zei: "Als jij er niet geweest was, zou dit niet gebeurd zijn."
Deze vrouw was gewend, in een crisissituatie, vlak voordat ze werd meegezogen, haar man alles voor de voeten te gooien waarmee hij ooit "haar bestaan teniet had willen doen" (oftewel onvoldoende rekening met haar had gehouden). En nu is haar grote ontdekking: "Het ligt niet aan hém!". Ze heeft in de sessie met haar "tiener" besproken dat moeder destijds over haar toeren was en iets gezegd heeft wat ze niet kon verantwoorden. Die "tiener" kan nu bij haar terecht; ze kunnen intussen ook onnoemelijk plezier hebben samen.
Niet alle "kinderen" vragen om hulp en aandacht van een volwassene; het gaat er dan bijvoorbeeld eerder om, hoe het "kind" benaderd wil worden
Mijn "kind" bijvoorbeeld, vijf tot zes jaar oud, heeft een uitdaging nodig om in aktie te komen. Anders valt ze, duim in de mond, zalig in slaap op schoot bij één van de vele tantes, die dat prachtig vinden.
Het "kind" van een 35-jarige man wordt wantrouwig als het aandacht krijgt, of een blijk van waardering: "Wat willen ze van me?". Als het vroeger aandacht kreeg,werd er een tegenprestatie verwacht; het kreeg dikwijls een complimentje, maar meestal voelde dat niet helemaal echt. Het heeft behoefte aan directheid, aan helderheid.
Een andere man, grootgebracht door twee hem adorerende vrouwen, voelt hoe verwarrend het teveel aan aandacht was voor zijn "kind"; het had het gevoel dat die aandacht niet belangeloos was: ze stortten zich te gretig op zijn gevoelens. Dit kind kan je beter terloops, vanuit je ooghoeken bekijken.
Soms heeft een "kind" maar weinig nodig om getroost verder te kunnen gaan
Het "kind" van een 30-jarige man leefde op toen het hoorde hoe erg 'zijn' volwassene hem zou missen als 't er niet meer zou zijn.
Soms heeft de volwassene het kind veel harder nodig dan andersom
Een "kind" van tien neemt "haar" volwassene stevig bij de hand en neemt haar energiek en enthousiast mee naar een moeilijke situatie. Dat kind van tien is nog 'heel', van vóór de aanpassingsstrategie die de vrouw van haar achttiende tot haar zestigste levensjaar had gevolgd. En het is na al die jaren nog springlevend!
Het kan ook zijn dat het "kind" je heel ánders nodig heeft dan je zou verwachten
Een "wiegenkind" "wil zich niet uitleveren", toch heeft het behoefte aan aanraking en nabijheid. Dit kind kwam, veertien dagen oud, met ernstige verbrandingen in het ziekenhuis en moest daar zes weken blijven. Elke keer dat het werd opgepakt leed het extra veel pijn. Tijdens de sessie pakt het nu gretig de vinger beet die de volwassene aanbiedt, en valt daarna getroost in slaap.
Hoe kom je zo'n kind op het spoor? Via het gevoel in je lijf!
"Ken je dat gevoel ergens van?" , "Ken je dat al lang?": Dát zijn vragen die je vaak regelrecht bij het "kind" brengen. Ook een kind dat nog niet kan praten vind je zo; verhalen over "toen", foto's enzovoort kunnen aanvullend werken, maar ze kunnen ook afleiden van hoe het werkelijk was voor het kind, "from it's point of view".
Na een sessie kan de focusser een kleintje "meenemen in een draagzak", of telkens even om het hoekje gaan kijken of alles in orde is. Met een groter kind kun je een afspraak maken: "Bij dát gevoel in m'n lijf weet ik dat jij het bent, en dan kom ik eraan. En vind je 't goed als ik in de komende dagen af en toe uit mezelf langskom?".
Natuurlijk zijn er vaak meerdere sessies nodig voor een'"kind"; soms blijkt het bij een volgende sessie gegroeid; het komt ook voor dat iemand begint bij een tiener en telkens bij een jonger kind uitkomt, of er lopen verschillende leeftijden door elkaar. Je kunt het proces rustig z'n eigen gang laten gaan, zoals altijd bij focussen; het zal wel niet voor niks zijn dat het komt zoals het komt. Uitnodigen, laten weten dat het welkom is, vertellen dat het niets hóéft, erbij zijn met aandacht en respect, de ruimte laten: alles wat hoort bij een "focusing attitude" hoort bij de benadering van "het kind vanbinnen".
Door het focussen kunnen volwassene en "kind" samen worden wat ze in aanleg altijd al waren: levend en heel, de mens die ze in wezen zijn. Of, zoals Dostojewski het zei: de mens "zoals God hem bedoeld had".
© Erna de Bruijn, november 1996.
Motto: De NLP-er weet waar hij naartoe wil -
de Focusser is benieuwd waar hij uit zal komen.
De eerste kennismaking tussen Jaap Hollander en mij was een aanvaring (omtrent overname van een tekst over Focussen in een NLP-congresmap). In een gesprek daarover merkten wij hoe weinig we afwisten van elkaars werkwijze. Jaap Hollander stelde mij voor om iets over Focussen te schrijven voor De Eekhoorn. Tijdens regenachtige vakantiedagen las ik eerst maar eens "NLP in Nederland", en ik viel van de ene verrassing in de andere bij het ontdekken van verschillen en raakvlakken van beide methoden.
Dat begon al bij de ontstaanswijze.
Ontstaanswijze
Daar waar het goed ging in een psychotherapie bestudeerden Bandler en Grindler de "succesvolle therapeut" en "modelleerden" die; Gendlin, de grondlegger van het Focussen, keek de kunst af van de "succesvolle cliënt". In beide gevallen kwam er iets uit wat niet weer een nieuwe richting in de psychotherapie is, maar een aanpak die zich laat toepassen op heel veel gebieden, binnen en buiten de psychotherapie, eigenlijk overal waar mensen met zichzelf en/of andere mensen werken.
Illustratief voor die verschillende invalshoeken is: in een therapie-situatie is de "NLP-er" de therapeut, de "Focusser" is daarentegen juist de cliënt (de cliënt focust, de therapeut begeleidt daarbij).
"Het paard vindt zelf zijn weg naar huis"
Dat het paard zelf zijn weg vindt, is in beide disciplines bekend. Om "het paard bij de weg te bepalen" helpt de NLP-er een cliënt zijn eigen hulpbronnen op te sporen en te benutten. Hij geeft hiertoe interventies, suggesties en opdrachten.
In een focussessie helpt de begeleider zijn cliënt bij het vinden en volgen van het "lijfelijk ervaren weten", de Felt Sense.
De Felt Sense zou je kunnen omschrijven als de aanvankelijk vage, maar onmiskenbaar aanwezige, nog niet verwoorde notie van iets dat met het leven van de focusser te maken heeft en dat in het hier en nu zowel lijfelijke als emotionele kwaliteiten heeft.
Respectvolle aandacht voor de Felt Sense maakt dit "iets" duidelijk en helpt "de weg naar huis" te vinden.
De NLP-er volgt en stuurt, de focusbegeleider volgt en helpt een veilige ruimte te scheppen, een ruimte waarin het proces van de focusser zich verder kan ontvouwen.
Beiden, NLP-er en focusbegeleider, weten elk moment wat ze doen en waarom zó.
Opbouwen van een relatie
Het opbouwen van een relatie tussen cliënt en diens probleemgebied neemt bij beide benaderingen een belangrijke plaats in; het omgaan met obstakels op de weg loopt grotendeels parallel: signaleren, herkennen als (ooit) werkzame strategie, mogelijkheden zoeken tot samenwerking, tot integratie. Het gaat daarbij vaak om een gedissocieerd deel ("Ik, boos? Nooit!") of een deel waarmee de cliënt zich identificeert ("Ik bén nu eenmaal zo").
De NLP-er richt zich in eerste instantie op de cliënt en diens obstakels; de focusser en de focusbegeleider richten zich op de "the clients client", oftewel de Felt Sense omtrent dat obstakel.
Werkwijze bij het Focussen
Bij Focussen staat de Felt Sense centraal.
Als je als lezer nu, op dit moment, een Felt Sense wilt ervaren, haal je dan een prettige of een onplezierige situatie voor de geest die je uit ervaring kent. Wat gebeurt er nu in het middendeel van je lijf (borst, buik)? Een ontspannen gevoel, een samenknijpen, een verandering in je ademhaling bijvoorbeeld? Blijf er met je aandacht bij, ga na wát er gebeurt, en wáár en hóé dat voelt.
Je aandacht is je instrument om scherp te stellen (te focussen) op wat eerst vaag, diffuus, waarschijnlijk onopgemerkt was. Je aandacht is nu niet bij datgene wat je er al over gedacht hebt, maar bij de Felt Sense, het totale gevoel van "alles rond die situatie". Neem er de tijd voor (soms wel een hele minuut) en zoek dan een treffende weergave van hoe "dat alles" in je lijf voelt. Dat kan visueel, auditief en/of kinestetisch getint zijn of nog anders ("een ijzeren bal", "knorrig", "ineenkrimpen", "bitter"). Deze weergave heet in focustermen: het handvat. Ga dan na of die weergave precies klopt met hoe het voelt in je lijf. Waar nodig stel je iets bij, tot je voelt: "Ja, precies, zó!" (In focusjargon heet dit proces: resoneren). Behalve het handvat, de weergave van hoe het voelt in je lijf, kan er ook een emotioneel aspect opgekomen zijn ("kwaad, en bang ook"), evenals een contextueel aspect ("altijd als iemand mij zó behandelt").
Als iets niet spontaan is opgekomen, kan de focusser ernaar vragen, van binnen, of de begeleider kan de focusser voorstellen deze aspecten uit te nodigen. Zo wordt het oorspronkelijk vage totaalgevoel rond een situatie tot een "iets", een "Ut" waar je bij kunt zijn zonder dat je er in hoeft te gaan zitten. In plaats van bijvoorbeeld opnieuw in de slachtofferrol te raken, kun je nu als waarnemer bij iets aanwezig zijn: "Dat is het wat er met me gebeurt". Misschien zie je een reeks gebeurtenissen in een perspectief. Misschien weet je zelfs waar het begin van zo'n reeks ligt: "toen ik drie was", "in de zesde klas", "vorig jaar".
Zo'n Ut, daar kun je met compassie bij zijn op een manier die goed voelt voor jou en voor Ut. En als het níét kan, als je bijvoorbeeld geïrriteerd bent door dat Ut, dan kan je dáárbij zijn, bij die irritatie, die ook niet van niets komt en die misschien eerst gehoord moet worden. Erbij zijn, uitnodigend, niet directief, en dan behoedzaam een relatie opbouwen met Ut, dat is wat er in deze fase van het focusproces gebeurt. En het paard blijkt hier vaak verbazend goed de weg te weten, een veel betere weg dan de focusser had kunnen bedenken, laat staan dat de begeleider iets beters had kunnen verzinnen.
De laatste fase van een focusproces is "afronden", de betreffende plaatsen in het lijf langsgaan en nagaan wat er veranderd is (markeren); als dat zo voelt: datgene bedanken wat er gekomen is en wat een aandeel in dit proces heeft gehad; een afspraak ermee maken ("Ik kom morgen weer even bij je langs" of "Als ik die steek in m'n maag weer voel, dan weet ik dat jij me een seintje geeft en dan luister ik naar je").
Vergelijking tussen enkele Focus- en NLP-processen
Bij de zesstaps reframing zijn er opvallende overeenkomsten en even opvallende verschillen met de focus-werkwijze. Herkennen, erkennen en benoemen van wat er ís lopen parallel met het zoeken naar de Felt Sense en het handvat. Bij beide benaderingen wordt een relatie opgebouwd met "het gedeelte", respectievelijk Ut. Aandacht en respect zijn basale voorwaarden; het vragen naar een positieve bedoeling kan daar bijhoren. De NLP-cliënt en de focusser kunnen datgene waar ze mee bezig zijn geheim houden door bijvoorbeeld te spreken over "dat gevoel" of "die kwestie". Wel is het belangrijk dat de cliënt/focusser voeling houdt met de concrete zintuiglijke ervaringen, respectievelijk de Felt Sense.
Bij reframing wordt in stap 4 "het creatieve gedeelte" ingeschakeld om voor het gedeelte dat verantwoordelijk is voor "gedrag X" nieuwe manieren te bedenken (en zelfs een groot aantal!); in de fase van "erbij zijn" zal de focusser een veilige ruimte creëren waarin Ut zich verder kan laten kennen. Voeling houdend met het lijfelijk ervaren gevoel kan hij aan Ut-zelf vragen hoe het zo gekomen is en wat het ooit zo moeilijk maakte (met alle respect voor de toen gekozen strategie). Als Ut zich erkend en begrepen voelt, kan de vraag komen, hoe het nu voor Ut beter zou voelen, in welke richting er meer ruimte zou kunnen komen.
Reframing stap 5 (verantwoordelijkheid nemen voor de alternatieven) is bij Focussen niet van toepassing, want de "groeirichting" is door Ut-zelf aangedragen.
Stap 6 (vraag of er andere gedeelten bezwaar hebben) kan bij het Focussen luiden: kijk of er nú nog iets is, van binnen, wat Ut nodig heeft of wat er in de weg staat.
De "basisopdracht" die de NLP-er geeft is te vergelijken met de "action step" die de focusser zelf vindt en toetst aan de Felt Sense.
Uithuilen of afhouden?
Bij het omgaan met oude trauma's zal een focusser noch "uithuilen", noch "afhouden", noch "herstructureren". De focusser kan, onder zorgvuldige begeleiding, de Felt Sense van die traumatische situatie gaan ervaren. Alleen, hij hoeft daar nu niet middenin te zitten: hij kan erbij zijn, met aandacht en respect voor het kind dat dit alles heeft doorstaan. Deze keer staat het kind er niet alléén voor: de volwassen focusser is erbij, die onrecht als onrecht helpt onderkennen en die het kind ondersteunt op de manier die het nodig heeft. Hulp die destijds ontbrak, wordt zo alsnog geboden, en wel door de focusser-zelf, die daarin gesteund kan worden door de begeleider.
Uit dit proces kan een "groeistap" voortkomen, een verandering in het ervaren van "alles rond dit trauma". De focusser, en meestal ook de begeleider, kan zo'n verandering zien/horen/voelen gebeuren; zo'n verandering wordt een "body shift" genoemd.
Nog enkele punten van overeenkomst tussen NLP en Focussen
Tenslotte wil ik nog een paar punten van overeenkomst tussen NLP en Focussen noemen:
Overpeinzingen
Wat ik in dit artikel heb geschreven over NLP en Focussen, moet wel meebepaald zijn door mijn beperkte optiek: ik ben dagelijks bezig met Focussen en het begeleiden van focussers, maar NLP ken ik alleen uit wat ik erover gelezen heb. Welke NLP-er die over Focussen het een en ander gelezen heeft, laat haar/zijn licht eens over deze materie schijnen?
Voorlopig houd ik het op het motto van dit artikel: "De NLP-er weet waar hij naartoe wil - de Focusser is benieuwd waar hij uit zal komen".
Dit artikel is verschenen in De Eekhoorn, Trimesterblad voor NLP, jrg. 5, nr.1, nov.1996
© Erna de Bruijn, arts en focustrainer
Christine Langeveld
In de periode november 1997 t/m juni 2000 gaven we in Focuscentrum DenHaag vijf maal een cursus voor mensen met migraine die daar anders mee wilden leren omgaan. In totaal namen 30 mensen daaraan deel: 3 mannen en 27 vrouwen. De gemiddelde leeftijd was 45 jaar. Tijdens de eerste cursus trok één vrouw zich terug, de gevoelens van andere deelnemers kwamen haar te dichtbij. De overige 29 deelnemers maakten de cursus af. De eerste cursus werd gegeven door Mária Goóg en Christine Langeveld (beiden migrainepatiënt). Mária moest helaas om gezondheidsredenen afhaken; Erna de Bruijn nam haar plaats in.
Aan de cursus ging een kennismakingsgesprek vooraf met elke aspirant-deelnemer waarin we van beide kanten peilden of deelname een goed idee was.
De cursus bestond aanvankelijk uit 6 bijeenkomsten + 1 evaluatiebijeenkomst, later uit 8 + 1.
In kleine groepen (3 tot 7 personen) werkten we aan het thema Omgaan met Migraine, vanuit drie verschillende invalshoeken:
1. aandacht voor de leefstijl: het leren (h)erkennen en hanteren van de individuele uitlokkende factoren en het omgaan met medicijnen
2. aandacht voor het lijf op zich: herkennen van spanningspunten en –gebieden in het lijf, ontspannings- en bewegingsoefeningen
3. focussen
Al gauw bleek dat de verschillende benaderingen niet los van elkaar te zien waren. Focussen kwam centraal te staan.
Ad 1. Alleen al het bij elkaar zijn met lotgenoten en soms even kunnen ‘zeuren’, en dan nog in het bijzijn van een cursusleidster/lotgenote, werkte meteen al heel bevrijdend. Ook was het belangrijk nog eens gezamenlijk vast te stellen dat de aanleg voor migraine een lijfelijk gegeven is en dat een migraine-aanval niet ‘allemaal eigen schuld’ is. Bij de bespreking van de individuele uitlokkende factoren bleek dat de meeste migraine-mensen heel goed weten op welke omgevingsfactoren ze moeten letten; een middag lang winkelen in de stad, bezoek aan de sauna, dreunende muziek en lichteffecten, te laat opstaan, warmte, kou – het kan allemaal tot een aanval leiden. Vrijwel iedere migrainepatiënt kent haar eigen gevoeligheden op dit gebied en is ook wel bereid daar rekening mee te houden, zij het soms tandenknarsend. Dat geldt evenzo voor hormonale invloeden. Anders is dat met de invloed van stress-factoren; die wordt moeilijker herkend en erkend. Een te volle agenda, of juist het wegvallen van druk op de ketel, de angst dat migraine dat leuke feest straks weer bederft, het gevoel dat de klus nú af moet en dan natuurlijk ook nog perfect - als iemand al besefte dat migraine in dergelijke situaties op de loer ligt, dan nog wist zij meestal niet hoe hiermee om te gaan.
Ad 2. Migrainepatienten hebben doorgaans een, vergeleken bij andere mensen, hoge spierspanning. Vooral de nek en de schouderpartij, maar vaak ook de hele rug en de benen zijn permanent gespannen. De energie kan niet vrijelijk doorstromen; bij extra (in)spanning hoopt die zich op bij schouders en nek, en raakt gestuwd in het hoofd. Aandacht voor het eigen lijf, het gewaarworden van lichaamshouding en gevoelens van spanning - het lijkt wel of veel migrainepatienten in het gewone doen helemaal geen weet hebben van hun lijf; tijdens een aanval zijn ze één en al lijf, daarna is het lijf uit beeld, tot de volgende aanval.
In de cursus gebruikten we eenvoudige oefeningen om de deelnemers meer bewust te laten worden van hun lijf, hoe ze erin zitten en hoe ze ermee omgaan. De ‘zak’-oefening bleek voor de meeste deelnemers heel doeltreffend. Daarbij nodig je je lichaam uit om de spanning (warmte, energie) die opstijgt en zich in de buurt van het hoofd ophoopt, naar beneden te laten gaan.
Ad 3. Vrijwel alle deelnemers hadden grote moeite met het waarnemen van processen in zichzelf, niet alleen de lichamelijke, ook de emotionele. Een meer gebruikelijke aanloop tot focussen: de aandacht naar binnen brengen en nagaan wat zich daar aandient, bleek niet de juiste weg; er diende zich niets aan. We kozen ervoor om voortaan elke bijeenkomst een thema (bijv. ‘irritatie’of ‘het gevoel van-alles-te-móeten’) aan te bieden, een kort kringgesprek daarover te houden en vervolgens een groepsfocusoefening te doen. Daarbij ging iedere deelnemer uit van een zelfgekozen situatie die betrekking had op het thema. Langs deze weg was het de deelnemers wél mogelijk na te gaan hoe zij zo’n situatie lijfelijk en emotioneel ervoeren.
Begroeten, (h)erkennen, erbij-zijn zonder oordeel en iets de ruimte geven om te veranderen, te kijken waar het heen wil, of zelf maatregelen nemen – het was allemaal onwennig, maar vaak wel werkzaam.
Dat opeengestapelde, niet-(h)erkende, niet-uitgesproken emoties een rol kunnen spelen in het opbouwen van een migraineaanval werd duidelijk. Herkenning van elkaars en de eigen neiging tot perfectionisme, geen ‘nee’ kunnen zeggen, van sterk plichtsbesef en overmatig verantwoordelijkheidsgevoel, leidde tot verrassende en soms hilarische ontdekkingen en belevingen. We hebben vaak en veel gelachen! bijvoorbeeld om iemands neiging tijdens het autorijden een minder fraai genomen bocht over te doen, of de gewoonte om in een vreemd huis meteen na binnenkomst de schilderijen recht te gaan hangen.
In juni 2001 verstuurden we aan de 29 deelnemers een vragenformulier om de cursus te evalueren. We ontvingen 2 antwoorden in briefvorm waarin sprake was van verbetering, en 20 ingevulde formulieren.
De 20 formulieren geven globaal het volgende beeld:
1. Bij 14 deelnemers is er verbetering merkbaar wat betreft de aanvallen: de migraine treedt minder vaak op, minder hevig en/of minder langdurig; 2 van deze 14 hebben sinds de cursus geen aanval meer gehad, een 3e is vrijwel aanvalsvrij, maar schrijft dit mede toe aan de overgang. Niemand meldt een verergering.
2. 14 deelnemers melden dat hun omgaan met migraine verbeterd is: meer ontspannen, minder boos als er een aanval optreedt. Bij 5 van deze 14 is er geen verbetering wat betreft de aanvallen, maar wél in het omgaan ermee.
3. 1 deelnemer meldt dat er geen verbetering merkbaar is, niet m.b.t. de migraine en niet m.b.t. het omgaan ermee, hoewel ze wel noteert ‘meer acceptatie’.
Samenvattend:
bij 5 deelnemers is er alleen verbetering wat betreft aanvallen
bij 5 anderen is er alleen verbetering wat betreft het omgaan ermee
bij 9 deelnemers is er verbetering zowel wat betreft aanvallen als omgaan ermee
bij 1 deelnemer is er geen verbetering
4.
Bij 9 deelnemers is het medicijngebruik afgenomen, bij 5 is het toegenomen; bij 4 van deze 5 was er vóór de cursus een grote huiver voor medicijnen, nu gebruiken ze met mate specifieke, aanvalsgerichte medicijnen.
Bij niemand is het medicijngebruik toegenomen omdat het minder goed zou gaan.
Uiteraard heeft dit onderzoekje geen enkele wetenschappelijke pretentie. Het levert wel een indicatie voor de rol die met name focussen kan spelen in het omgaan met een kwaal als deze.
Van het begin af aan (al in de folder) hebben we benadrukt dat mensen niet mogen verwachten dat ze van hun migraine verlost worden, wel dat er iets kan veranderen in hun omgaan ermee, en daarmee in hun totale beleving ervan.
Een van de deelnemers zei het enige tijd na de cursus zo: ‘Eerst was ik bezig met overleven, nu met leven!’
Den Haag, december 2001